Hoe het ooit in Frankrijk begon...

 

Mijn eerste keer in Parijs: Een slaperige stad en een wakkere backpacker.

Het was 1982. Ik was 19, gewapend met een Interrail‑ticket, een rugzak die tweemaal zo groot was als mijn gezond verstand, en een zinderende honger naar avontuur. Europa lag aan mijn voeten — althans, dat dacht ik. Spoedig zou blijken dat vooral ikzelf aan de voeten van Europa lag, ergens tussen slaaptekort, ver-dwaling en goedkope station koffie.

7:00 uur: Parijs slaapt, ik ben per ongeluk wakker

De nachttrein rolde Parijs binnen op een uur dat alleen bakkers, duiven en verloren backpackers kennen. Gare du Nord. De naam klonk chic in mijn oren. Het station zelf — groot, indrukwekkend, bruisend — deed er alles aan om me te verwelkomen. Alleen… de stad zelf was nog in diepe REM‑slaap.

Met mijn frisse (lees: verwarde) enthousiasme liep ik het station uit, op zoek naar Gare du Sud. Dat moest toch simpel zijn? Noord → Zuid. Kinderlogica. Maar Parijs is geen kind, het is een eigenwijze peuter die dingen verstopt, vooral voor toeristen.

De eerste Parijzenaar van de dag

Op zoek naar richting stapte ik op de eerste mens die ik zag: een norse heer met een baguette onder zijn arm — waarschijnlijk zijn ontbijt én zijn wapen tegen nieuwsgierige backpackers.
“Excusez‑moi, monsieur, Gare du Sud?”

Hij keek me aan zoals men kijkt naar iemand die vraagt waar de uitgang is terwijl hij al buiten staat.

Blijkbaar bestond Gare du Sud officieel niet meer… of nooit echt… of heette het anders… of was het geheim. Dat wist ik toen nog niet. Hij mompelde iets onverstaanbaars, trok een wenkbrauw op, en marcheerde verder. De baguette trilde instemmend.

Parijs ontwaakt — heel langzaam

Terwijl ik mijn weg zocht, ontdekte ik dat Parijs op dat vroege uur drie snelheden kent:

  1. Zeer langzaam: De rolluiken van cafés die langzaam rammelend omhoog schuiven.
  2. Nog langzamer: De obers die hun eerste sigaret van de dag opsteken.
  3. Niet‑bewegen‑is‑ook‑een‑beweging: De stoepen waarop werkelijk niemand zich lijkt te haasten.

Ik, met mijn nummer‑één‑doel “trein niet missen”, stond in scherp contrast met dat slaperige ritme. Mijn rugzak leek bij elke stap zwaarder te worden — waarschijnlijk van pure solidariteit met de Parijzenaars.

Een croissant, een kaart, en een kleine existentiële crisis

Na wat ronddwalen belandde ik in een café waar ik mijn eerste echte Franse croissant ooit at. Knapperig, warm, boterig — eigenlijk was dat moment het belangrijkste station van de ochtend, of het nu Gare du Wat‑dan‑ook was of niet.

Terwijl ik een papieren stadsplan openvouwde dat zich gedroeg als een miniatuur‑windsurfzeil, besefte ik twee dingen:

  1. Dit was het avontuur dat ik zocht.
  2. Ik had geen flauw idee waarheen ik moest.

En dat was oké.

De weg vinden — of eigenlijk: gevonden wórden

Uiteindelijk wees een vriendelijke dame — duidelijk meer wakker dan ik — me erop dat mijn “Gare du Sud” niet de juiste naam was. Ik moest richting “Gare de Lyon”. Ha! Natuurlijk. Lyon, Zuid… dicht genoeg voor een zestienjarige logica, laat staan een negentienjarige met te weinig slaap.

Ik nam de metro, waar de stad eindelijk tot leven begon te komen. Mensen praatten, lachten, zuchtten. Parijs werd een mens. En ik? Ik werd een echte backpacker.


Conclusie: Parijs sliep, maar ik werd wakker

Mijn eerste ochtend in Parijs was geen vlotte, elegante binnenkomst zoals je die in films ziet. Integendeel: het was een mix van verdwalen, croissants, verkeerde stations en een stad die me pas wilde begroeten na haar eerste koffie.

Maar precies dát maakte het onvergetelijk.

Want achteraf gezien begint elk goed avontuur met een beetje chaos — zeker als je 19 bent, een rugzak draagt die bijna groter is dan jijzelf, en een Interrail‑ticket hebt dat je door heel Europa belooft te brengen.

En eerlijk? Ik zou het zo opnieuw doen. Alleen misschien… met iets minder bagage.